(5) Strong’s Dictionary nr. h1166. בָּעַל ḇâ‘al; a primitive root; to be master; hence, (as denominative from 1167) to marry: — have dominion (over), be husband, marry(-ried, x wife).
(6) Zie voor een uitgebreide verklaring van Hosea, Jesaja, Jeremia en Ezechiel, “Divorce and Remarriage in the Bible” van David Instone-Brewer - Hoofdstuk 3 - “The Later Prophets”.